Fictie | Slapeloze Nacht

Langzaam word ik wakker. Het licht van een reclamezuil schijnt de kamer in. Het is een uur of vier ’s ochtends. Met alle macht probeer ik de halfslaap nog te pakken. Die ongrijpbare roes die je, als je geluk hebt, meteen weer in dromenland brengt. Helaas, ik blijf klaarwakker.

Bron: Photo by Hiroshi Tsubono on Unsplash

Gewikkeld in een deken blijf ik in een ongemakkelijke positie in de stoel liggen. Wachtend tot mijn ogen gewend zijn aan het donker. Langzaam komen ook de geluiden binnen. Geluiden die de laatste weken zo gewoon zijn geworden, maar die ook nog steeds onwennig klinken. Het gepiep van medische apparatuur, van verpleegkundigen die ook in het holst van de nacht in de weer zijn.

Op de gang wordt een lamp aan gedaan, een bundel licht valt op het bed en op een deel van je gezicht. Ik weet wat ik kan verwachten na al die tijd, toch schrik ik. Je gezicht voelt klam, je ogen liggen diep in hun kassen. Af en toe kreun je, of mompel je iets onverstaanbaars. Ik schuif mijn stoel dichterbij je bed, zodat ik mijn vingers met de jouwe kan verstrengelen. Dit alles in de hoop dat mijn aanwezigheid in je koortsdromen toch gerust stelt.

Ik heb je eigenlijk nooit “gezond” gekend. Toen ik je leerde kennen had je net te horen gekregen dat je ziek was. Je zag er toen nog levendig uit, vol kracht, ook al had je pijn. Je had nog niet de marteling van de chemo’s en het bestralen doorstaan. Van nachtelijke spoedopnames, van hoop en van wanhoop. Ik wist nog niets van je koppigheid, of jij van die van mij.

Die koppigheid leerde ik trouwens al snel kennen. Ik weet nog dat je, ondanks de duidelijke aantrekkingskracht tussen ons, mij op afstand hield. Je snapte niet waarom ik zou willen daten met iemand die ziek was. En eerlijk gezegd, jij was niet de enige. Ook van mijn vriendinnen, van mijn familie, kreeg ik in die dagen vaak de vraag waarom ik moeite zou doen voor iets waarvan ik niet kon weten hoe het af zou lopen.

En natuurlijk had ik mijn twijfels. Maar hoe beter ik je leerde kennen, hoe minder het feit dat je ziek was -ernstig, zelfs- uit leek te maken. We hadden het gezellig. Hebben. Tegenwoordige tijd. Natuurlijk was het moeilijk. Maar in de weken tussen behandelingen, als je je goed voelde, lachten we, vreeën we.. kortom, we hadden –hebben– het leuk.

Ik weet niet waarom ik steeds de verleden tijd gebruik. Ik wil het niet. We hebben nog steeds tijd. Dat blijf ik geloven. Ik moet wel. Eén van ons moet positief blijven. Ook nu weer. Jij noemt je uitzichtloosheid realistisch, maar dat vind ik te makkelijk. De realiteit is dat het ook nog steeds goed kan komen. En diep van binnen moet jij dat ook geloven, anders zou je niet aan deze kuur zijn begonnen. Denk ik.

Soms ben ik bang dat je het alleen nog voor ons doet. Dat je, als wij er niet waren, al lang gestopt was met behandelingen. Die donkere gedachten komen niet uit het niets. Ik ken je periodes van depressie, dat je je afzondert van alles en iedereen. Ik heb ze van dichtbij meegemaakt en ik heb ze overwonnen. Het is je niet gelukt om me weg te jagen. Waarom weet ik soms ook niet.

Ik denk om de simpele reden dat ik van je hou. Langzaam maar zeker dringt er een straaltje zonlicht de kamer binnen. Het ziekenhuis komt tot leven. We hebben een nieuwe dag gekregen. Ik weet niet van wie, maar ik ben er dankbaar voor. Ik kijk naar de kalender; over drie dagen mag je weer naar huis.

4 reacties Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s