Fictie | Morgenstond

De cel is nauw en koud en het stinkt. Naar volle strontemmers, naar zweet, naar muf stro. We krijgen enkel water en brood als voeding. Ieder van ons in afwachting van ons lot. Hoop hebben velen van ons al lang opgegeven.

Bron: foto door Paul Kerby Genil via Pexels

Door een klein raam -een gat in de muur slechts- komt wat ijskoude lucht naar binnen. Af en toe gaat de zware ijzeren deur open en wordt één van ons op ruwe wijze opgehaald. We weten allemaal wat er dan gebeurt. Velen van ons zijn al lang gebroken, verlangen naar de onvermijdelijke verlossing op het schavot.

De geluiden van de dag zijn inmiddels bekend. Kreunen, huilen of binnensmonds gemompel. Eén enkeling hoopt nog op een Godswonder. Ik wrijf met mijn vieze vingers over mijn waarschijnlijk nog viezere gezicht. Ik verlang terug naar de tobbe; lauw water (want in een groot gezin als dat van ons was warm water een luxe), wat zelfgemaakte zeep en een ruwe handdoek. Het was niet veel, maar het was in ieder geval iets. Ik ga iets verzitten. Pijn schiet door me heen. Meteen erop voel ik nattigheid op mijn rug lopen. De wond, het resultaat van een reeks zweepslagen, is weer gaan bloeden. Ik houd mijn kaken op elkaar. Niet huilen nu. Ik verberg mijn gezicht achter mijn, eens zo mooie, lange haar; het is vies en er zitten klitten in.

Gerammel met sleutels, de zware deur wordt open geduwd. Voetstappen houden zich stil voor mijn cel. Weer een deur open.
‘Clara Beghijn, meekomen.’ Ik word opgehesen, op mijn wankele voeten gezet, in zware boeien geslagen en met een por naar voren aan het lopen gezet. Blootsvoets, in slechts een smerig gewaad loop ik tussen de mannen in. Niemand zegt een woord. We lopen trappen op, naar een grote, ronde kamer. Het is er druk.

Het hele dorp lijkt te zijn uitgelopen. Ik zoek, maar mijn familie vind ik niet.
‘Mejuffrouw Clara Beghijn, 33 jaren oud, ongehuwd-,’ begint een man in een zwarte mantel, ‘-wordt op de Achtste Maart van het jaar 1522 berecht op gronde van hekserij.’ De man begint bewijs tegen mij op te lezen en ik richt me op het grote raam. Ik zie voor het eerst in maanden weer de buitenlucht. Het lijkt te stormen. Stemmig wel. ‘Hoe beantwoordt U deze beschuldigingen?’ Het was slechts een vraag voor de vorm. Ze hadden hun conclusie al getrokken. Toch vocht ik tegen de pijn en rechtte mijn rug. ‘Onschuldig.’ Mijn stem klonk rauw, voelde rauw.
Onder luid gejoel word ik weer terug naar mijn cel gebracht. De hele weg terug wordt begeleid door de woorden “hangende aan de nek met de dood tot gevolg”.

Ik word ruw mijn cel weer in geduwd. De tranen branden in mijn ogen. Hier houdt het op. Oh, god, morgen ga ik dood! Sterk zijn, ook al breek het je hart. De mantra van mijn moeder doemt op uit mijn herinneringen. Ik moet in slaap gevallen zijn, want ik word ruw gewekt door luide stemmen. Ik word van mijn stro getrokken, weer in boeien geslagen en, met vijf andere vrouwen -de jongste niet meer ouder dan twaalf jaar- naar buiten gestuurd, waar een open kar klaar staat.

Het geschommel van de kar op de keien zorgt ervoor dat we de hele tijd tegen elkaar aan worden geduwd. Ik moet denken aan het Oogstfeest spektakel als ik de rijen mensen zie die ons langs de weg gade slaan. De reis is over voordat ik er erg in heb. Naast me is het meisje gaan huilen. Ze heeft het schavot eerder gezien dan ik. Ik zou haar willen troosten, maar wat zeg je tegen een kind dat gaat sterven uit naam van een wrede God?

De kar houdt stil en we worden een trap op gedreven. Een priester vraagt ieder van ons of we ons nog van Satan af willen keren. Natuurlijk wil iedereen alles doen om de strop maar te ontlopen. Geschreeuw en gejouw van het publiek maakt het onmogelijk om nog maar iets te zeggen. Ik zal daarom zwijgen, zoals ik deze hele periode heb gezwegen. De beul, een brede, zwetende man met een zwarte kap om zijn anonimiteit te bewaren, doet ons één voor een de strop om de nek.

Er wordt nog wat gezegd. Ik luister niet. Ik houd mijn blik strak vooruit gericht. Over de hoofden van de mensenmassa zie ik een zwerm vogels boven het bos in ingewikkelde vormen vliegen. Plotseling voel ik de warmte van de ochtendzon op mijn gezicht. Ik glimlach, ondanks alles. En dan valt de vloer onder me vandaan. Ik krijg geen lucht! Ik spartel, mijn handen krabben tevergeefs aan de strop om mijn nek. Langzaam wordt alles zwart voor mijn ogen.

Met een schok word ik wakker. Ik lig in mijn bed. Naast me zit mijn beer. Mijn wekkerradio vertelt me met felgroene cijfers dat het 6:15 is. Bezweet trap ik de lakens van me af. Met een hand voel ik mijn ongeschonden nek. Ik strijk mijn haren uit mijn gezicht; ze zijn schoon en misschien wat warrig van het slapen. De morgenzon probeert onder het gordijn door te kruipen. Ik leef nog. Uit het raam zie ik een zwerm vogels in een bekend patroon vliegen…

2 reacties Voeg uw reactie toe

  1. Jgb schreef:

    Sterk gedaan , Daan

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s