Fictie | De Bezoeker

Ik belde aan. De deur zag er nog hetzelfde uit, met het kleine houdertje waarin elke dag verse bloemen in werden gezet. Nou ja, vroeger dan. Nu was de houder leeg. Het voelde verkeerd.

Bron: Unsplash.com

Ik belde nog een keer, en, na enkele momenten, hoorde ik eindelijk wat gestommel achter de deur. Ik hoorde de sloten die open gemaakt werden, en even later stond ik oog in oog met David. Hij was oud geworden, een hoornen bril vergrootte zijn ogen, zijn gezicht was gerimpeld en zijn mond stond strak. Zijn hand, gevuld met ouderdomsvlekken, was gekromd om een wandelstok. Maar het was hem nog steeds.

‘Ja? Kan ik je helpen? Ik heb al kinderpostzegels, hoor!’ Zijn stok wees naar het ruitje, waar het bewijs van aankoop van de kinderpostzegel geplakt zat. ‘Nee, ik verkoop geen zegels.’ Zó jong zag ik er nou toch ook weer niet uit? Het geluid van mijn stem deed hem echter opkijken. ‘Ken ik jou ergens van?’

Ik schraapte mijn keel. ‘Ik ben Walter, herken je me niet meer?’
De oude man die ooit mijn vriend was keek me even aan. ‘Kom binnen,’ zei hij eindelijk, ‘wil je wat drinken?’
We liepen de gang in, ik werd naar de zitkamer gestuurd, terwijl hij naar de keuken schuifelde. ‘Je kwam me al bekend voor, je bent geen spat veranderd!’ riep David vanuit zijn keukentje. ‘Jij ook niet!’ riep ik terug. Ik keek rond. Op tafel lagen wat kranten en een stapeltje boeken. De radio stond blijkbaar nog aan, maar de volumeknop was geheel naar beneden gedraaid.

‘Je bent werkelijk geen spat veranderd, Walter,’ zei David nogmaals toen hij twee dampende bekers thee voorzichtig op het tafeltje zette. Hij ging tegenover me zitten, in een veelgebruikte leren fauteuil. Zijn handen vouwden zich om de mok thee. ‘Waar ben je al die tijd geweest?’
Ik keek hoe de damp van de thee zijn brillenglazen besloeg. ‘Ik reisde de wereld over. Omdat ik niet oud werd, kon ik nergens lang blijven.’
Walter knikte bedachtzaam. ‘We hebben je brieven gestuurd. Een uitnodiging voor mijn trouwdag, de geboorte van mijn dochters…’
‘Het spijt me.’

Het bleef even stil. Ik zag hoe David op zijn horloge keek.
‘Het spijt mij ook.’ De voordeur ging open en een drietal mannen, in wit ziekenhuistenue gehuld, kwam binnen. ‘Meneer De Bie, wij verzoeken u vriendelijk mee te werken, dan raakt er niemand gewond.’
Meneer De Bie? Ik ben Walter Heemskerk! Ik ken geen De Bie! Wat is dit?! Wie zit hier achter?

‘Meneer de Bie, we vragen u nogmaals mee te werken.’ Een van de mannen liep behoedzaam op me af. ‘Nee! Ik ben Walter Heemskerk! Ik ben onsterfelijk!’ riep ik, terwijl ik mijn glas hete thee naar de man gooide. Toen werd ik van achteren gegrepen en werden mijn armen vastgemaakt. De grootste man draaide zich naar David: ‘Het spijt ons enorm dat u dit is overkomen, meneer. Ik laat een nummer achter als u behoefte heeft om met iemand te praten.’

En toen werd ik naar buiten gemarcheerd. Nog steeds had ik geen idee wat er gebeurde, of waarom. Ik werd een busje in geloodst, twee van de drie mannen namen naast en tegenover mij plaats en reden we weg. Ik was totaal van de kaart. Ik had David nog zo veel willen zeggen! Dat ik hem gemist had, dat ik het nooit zo bedoeld had. Dat de dood van zijn zusje een ongeluk was geweest!

Op de radio voorin de bus komt het bericht binnen over een ontsnapte man uit een gesticht in de regio die, ‘…jarenlang vast heeft gezeten vanwege de bloederige mutilatie en dood van een buurmeisje, de twaalfjarige Anna, en de vondst van drie andere lichamen van…’ Met een glimlach op mijn gezicht val ik in slaap. Morgen is er pudding bij het ontbijt!

3 reacties Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s