Fictie | Oneindig

Bier vloeide rijkelijk, muziek speelde en er werden als altijd weer grote verhalen verteld. We zaten net als elke vrijdagavond in ons stamcafé, om het weekend in te luiden. Nog lachend om een opmerking stapte ik op van tafel om even naar de wc te gaan. Ik manoeuvreerde me door de drukke kroeg toen ik bijna tegen iemand aanbotste.

Bron: Medium.com

Ze leek jong, net achttien misschien, maar de klank van haar stem was lager dan ik had verwacht. Haar donkere huid contrasteerde met haar zilverwitte haar. ‘Heb je misschien een paar euro voor me? Mijn portemonnee is gejat,’ en meteen erna, ‘ik kan je onsterfelijk maken.’ Ik dacht er verder niet heel erg bijna en greep naar mijn broekzak. Gelukkig had ik nog wat losse munten, dus die gaf ik haar. Ze keek me aan en glimlachte.

De rest van de avond verliep zonder gekkigheid, en ik vergat het voorval. We werden allemaal ouder, leefden ons leven. We kregen relaties, kinderen, en het enige vreemde was dat ik er nooit ouder uit ging zien. Misschien heb ik gewoon geluk, dacht ik nog. Naïef. Toen ik er op mijn vijfenzeventigste nog steeds uitzag als vijfendertig begon ik me toch echt zorgen te maken. Iedereen werd ouder, behalve ik. Ik overleefde iedereen. Ik raakte de tel kwijt toen ik een zoveelste achter-achter-achter-achter-kleinkind geboren zag worden en weer zag sterven.

Ik zag de wereld veranderen. Technologie, wereldleiders en wereldoorlogen zag ik komen en gaan, en hoewel ik me in het begin nog af en toe onder de mensen begaf, zonderde ik me meer en meer af, niet wetende of er ooit een eind aan mijn bestaan zou komen. Ik bleef binnen en schreef boeken vol met wat ik nog wist, zodat ik niets zou vergeten. Want als je onsterfelijk bent is je brein als een harde schijf die op een gegeven moment gewoon vol is.

Ik werd ook niet ziek. Had geen last van nucleair geweld of pandemieën. Ik zag en beschreef het einde van de mensheid. Het uitvinden van de meest dodelijke wapens, de aarde die opdroogde, planten en dieren die uitstierven. Totdat er helemaal niks was. Enkel woestijn en ruïnes. Ik was de laatste mens op een verdorde rots.

Het was op een van mijn vele doelloze reizen dat ik haar weer terug zag. Ze was geen spat veranderd.
‘Ben je daar eindelijk?’ vroeg ze. Ik knikte. ‘Klaar om te gaan?’
Ik haalde mijn schouders op. Waarheen? Is dit niet het einde van alles?
Ze wees naar een berg aan de horizon. ‘Daar woon ik.’ We liepen uren in de brandende zon. Aan de voet van de berg stond een stenen huis. Ze ging me voor. ‘Wil je iets drinken?’ vroeg ze. Ook al had ik al eeuwenlang geen voedsel meer hoeven eten, de hitte had me toch dorstig gemaakt.

‘Alsjeblieft.’ Ze zette een groot glas bier voor me neer. ‘Die had je nog van me te goed.’ Ik nam een slok. En plotseling begon de wereld om me heen uiteen te vallen, af te brokkelen als een gedroogd herfstblad. Het laatste dat ik zag was haar donkere gezicht, met het zilvergrijze haar. Ze glimlachte.

Één reactie Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s