Skip to content

Essay | Van Object Tot Presentatie: Beleving In Het Museum

VAN OBJECT TOT PRESENTATIE: BELEVING IN HET MUSEUM

Bron: Planetware.com

Geschreven in 2016 voor het vak ‘Rijksmuseum’ aan de Universiteit Utrecht.

Waar gaat het over?

Stel, je krijgt het idee om naar een museum te gaan.  Lekker slenteren tussen de Oude Meesters of je mee laten slepen door de sfeer in de kleine, bedompte kamers van een Anne Frankhuis. Alleen, of met vrienden of familie. Bij beiden heb je dan bepaalde verwachtingen. Veel mensen gaan bijvoorbeeld naar het Rijksmuseum omdat ze het gebouw na de verbouwing willen zien. Dan is de kunst die er hangt, de objecten die er liggen niet het belangrijkste.

Als conservator is het natuurlijk je taak om in te spelen op zowel de beleving als het nut van de expositie. Je moet beslissen hoe objecten zijn neergezet en ook waarom juist die combinatie het maximale uit het onderwerp kan halen.
In principe ben je als conservator een soort van regisseur.

Maar naast het feit dat je rekening moet houden met objecten, je bent ook verantwoordelijk voor informatie. De kunst is dan ook om een balans te vinden tussen geven van de informatie en het tonen van de objecten: zijn de objecten leidend in het verhaal? Of is het verhaal het belangrijkst en zijn de objecten slechts illustraties? Daarnaast moet je een expositie ook zo aantrekkelijk maken dat er mensen, jong en oud, naar toe blijven komen.
De vraag is dan ook: waar moet je het meeste waarde aan hechten, het object of de presentatie?

Een Smalle Grens
“Historische artefacten krijgen een betekenis al naar gelang de context waarin ze worden gepresenteerd” wordt Cas Smithuijsen geciteerd in een artikel van historicus Marlies Van der Riet.
Dat kan dus op veel manieren – welke is dan de juiste?
Aan de ene kant heb je bijvoorbeeld het Spoorwegmuseum. Daar is de presentatie bijna een event. Vol technische snufjes en (multi)media. De context is de tentoonstelling. In plaats van dat het om het object gaat, wordt het object een onderdeel van de tentoonstelling.

Je kunt wel zeggen dat het Spoorwegmuseum grotendeels gericht is op entertainment. Het ‘museum’-deel, de objecten die je in een standaard museum zou vinden, zijn hier enigszins weggestopt in een hoek. Natuurlijk zijn de grootste objecten, de treinstellen, het middelpunt –maar ook in die opstelling is niet honderd procent een rode draad te herkennen.

Waar het Spoorwegmuseum zijn bezoekers lokt door middel van interactieve belevenissen, is het Rijksmuseum juist weer een ‘ouderwets’ voorbeeld.
Het Rijks moet het hebben van de objecten. Daar adverteert het ook mee. Wie denkt bijvoorbeeld niet meteen aan de Nachtwacht als het over het Rijksmuseum gaat? Dit museum past ook meer in de visie van Van der Riet, die zegt dat “als museumpubliek ergens toe verleid moet worden, is het tot kijken en onderzoek.
De objecten staan centraal, informatie wordt gegeven door objectteksten en als je meer wil weten moet je zelf op onderzoek gaan. Een scherp contrast bij het Spoorwegmuseum, waar informatie schaarser is en meer op beleving wordt ingespeeld.

Om te kijken naar wat het beste is: beleving of informatie loop je al snel tegen het begrip emotional turn aan. Het emotionaliseren van de samenleving. Niet langer gaat het om puur de informatie, maar ook om gevoel, de beleving en de gedachten die men bij objecten kan hebben. Men ging anders naar exposities kijken en er ontstonden twee soorten conservatoren: “De museumher- vormers die de uitdagingen van het nieuwe communicatietijdperk willen benutten voor nieuwe museale concepten. Zij staan tegenover professionals die het op het authentieke object gerichte museum als maatstaf voor cultuurover- dracht hanteren. Gebruik van moderne media mag niet leiden tot een andere museale vorm van cultuuroverdracht. Wel toepassing van moderne media, maar binnen een vertrouwd museaal concept.” schrijft Paul van de Laar, historicus en algemeen directeur van het Rotterdams Museum.

Van de Laar haalt hierboven cultuuroverdracht aan. Een belangrijke taak voor musea. Maar wat werkt dan het beste? Duidelijke exposities in zalen of toch meer beleving? Persoonlijk ben ik meer van de zalen met een aantal objecten met teksten die door een zaaltekst aan elkaar verbonden zijn. Maar misschien ben ik ouderwets.

Historisch Bewustzijn
Een andere vorm van beleving vind je terug in, bijvoorbeeld, het Archeon. Daar wordt de nadruk wel heel erg op ervaring en beleven gelegd. Daar duikt de bezoeker als het ware de geschiedenis in. Wordt men daar minder historisch bewust van dan traditionele musea? “Discussies over de hedendaagse omgang met het verleden staat niet op zichzelf. Onze cultuur verandert van woord naar beeld, van ratio naar emotie, van aanbod-economie naar vraag-economie, van kennis naar beleving.” zegt Hendrik Henrichs. Musea moeten dus evolueren, daar kom je niet onder uit.

Nu wil dat niet zeggen dat traditionele musea als het Rijksmuseum overbodig worden. Ik denk wel dat die, zeker in de toekomst, steeds meer een minderheid gaan vormen, om plaats te maken voor een soort hybrid. Een mix tussen traditionele en nieuwe musea zoals, bijvoorbeeld, het Amsterdams Museum. Daar staan objecten op zichzelf, maar zijn ook onderdeel van een chronologische geschiedenis van de stad.

Doe maar normaal
Voor mij zal het object toch altijd wel centraal staan. Ik houd van duidelijkheid: een zaal met objecten waar je gewoon meteen weet wat het is en waar het vandaan komt. Hoe het verder is aangekleed vind ik niet zo bijzonder interessant. Meestal ga ik niet naar een museum om naar schermpjes te staren, dan wil ik ook echt op mijn gemak door zalen kunnen lopen. Kortom: ik ben een ouderwetse museumbezoeker. Waarschijnlijk heb ik dat van mijn opa, waarmee ik vroeger vaak naar het museum ging. Die kon dan bij schilderijen hele verhalen vertellen. Daarom vind ik de audiotour een geweldige uitvinding.

Uiteindelijk moet het object altijd centraal staan. Beleving is belangrijk, maar het gaat om het object en zijn historische waarde. Bezoekersaantallen zijn belangrijk. En tegenwoordig kun je die blijkbaar vergroten door entertainment toe te voegen. Een voordeel is dat er meer jeugdige bezoekers komen, maar ik denk dat als iemand geïnteresseerd is in kunst of geschiedenis dat diegene toch wel gaat. En dan maakt het niet uit hoe oud iemand is. Interesse blijft toch de belangrijkste drempel. Dan kun je nog zoveel achtbanen neerzetten of middeleeuwse dorpen nabouwen: zolang er interesse is, zolang je als conservator interessante objecten kan laten zien, blijven mensen toch wel komen.

 

Literatuurlijst

1.      M. van der Riet, ‘De conservator als regisseur: het museum op zoek naar nieuwe presentatievormen’, Boekman 61 (2004), pp. 155-159.

2.      P. van de Laar, ‘Het Nationaal Historisch Museum en de emotional turn’, BMGN 124 (2009), nr 3. pp. 431-437 


3.      H. Henrichs, ‘Historisch denken of het verleden beleven: public history en musea’, Levend Erfgoed 6 (2009) nr. 2, pp. 15-19

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: