Skip to content

Fictie | Portret

Het is donker in het achterkamertje. De ruimte ligt bezaaid met allemaal schetsen in diverse mate van gereedheid. Op tafeltjes lagen ingrediënten. Aarde voor bruine verf, verbrande beenderen voor zwarte. Op een plank boven de schouw ligt een oude viool naast een kunstig versierde, lege fruitschaal. In een alkoof zit een jonge leerling kwasten schoon te maken. Bijna alle muren zijn voorzien van doeken, al dan niet omlijst.

Bron: Kunstexpert.com

De kamer kent maar twee natuurlijke lichtbronnen. Het grote raam, vol glas in lood, aan de straatkant, en de koepel in het dak van de achterkamer, zijn atelier. Het overige licht komt van geduldig flakkerende kaarsen. Omringd door die kaarsen werkt de schilder. Half verscholen achter zijn doek schetst hij heel nauwkeurig elke vorm, elke ronding met een stukje houtskool. Om de zoveel tijd kijkt hij naar haar. Naar hoe ze zit, hoe ze kijkt.
Alles probeert hij vast te leggen. Nauwkeurig traceert hij met zijn houtskool haar heupen, haar borsten. Soms spreken ze wat. Haar stem zacht en licht, als belletjes. Hij lacht en gebaart dat ze weer stil moet gaan zitten. En dan is het weer stil. De stilte van concentratie. Het geluid van zijn leerling die af en aan loopt met materiaal. Het geluid van een paard en wagen buiten, hobbelend over de keien. Het gaat allemaal langs hem heen.

Haar ogen, die zijn het moeilijkst. Niet de kleur, dat lukt hem wel. Moeilijker is de manier waarop ze schitteren alsof ze een geheim bewaren. Ogen waar hij op verliefd werd. Grijs, zijn ze. Met gouden vlekjes. Hij glimlacht. Zacht, bijna lieflijk geeft hij vorm aan de jonge vrouw op het doek. Haar haren, blond en krullend, vallen langs haar blote schouders. Ze praat rustig. Geeft opdrachten aan de dienstmeid, vertelt over een boek dat ze aan het lezen is, van een Franse filosoof. Het late zonlicht speelt met haar haren.

Met een zucht staat hij op en rekt zich uit. Zijn handen zijn stijf. Hij bestudeert zijn werk. Het is af. Nauwkeurig zet hij zijn naam linksonder op het doek en blijft er minutenlang naar kijken. Het is klaar, maar opgelucht is hij niet. Het voelt als een verlies. Alsof hij haar weer een stukje is kwijtgeraakt. Hij staat op, dooft alle lampen en pakt de nachtkaars. Moeizaam klimt hij de smalle trap op, naar boven.

Op de nauwe overloop blijft hij even staan. Een deur staat op een kiertje. Zachtjes duwt hij hem verder open. In het licht van de kaars, dat het kamertje in valt, ligt een meisje te slapen. Haar blonde, krullende haar als een krans om haar hoofd. Ze lijkt op haar moeder. Geruisloos sluit hij de deur en loopt naar zijn eigen bed. De slaapkamer is koud, het bed is te groot. Hij blijft nog lang op de rand van het bed zitten. Buiten klotst het water van de gracht tegen de kade en luiden de nieuwe, door meestergieter Geert van Wou gegoten, klokken van de Dom.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: